mijn doop

Als je, zoals ik, op pad gaat in het katholieke geloof langs kloosters en gesprekken met een pastor, dan kom je op een gegeven moment voor de vraag te staan of je je ook zult laten dopen. Het is een vraag die niet eens van mijn pastor uitging: zij kwam gaandeweg vanzelf bij mij op. Ik dacht daarover na en was er huiverig voor. Ik ben serieus van aard en vind dat ik zo’n stap alleen moet zetten als ik dat ook echt wil. Voor mij zal zo’n gebeurtenis nooit zoiets zijn als “even laten dopen”, zoals sommige mensen trouwen zien als “even een papiertje halen”. Zo zit ik niet in elkaar. Ongeveer een jaar geleden voelde de doop voor mij nog als coming-out ten overstaan van een grote groep mensen. En ik was er niet aan toe om opnieuw uit de kast te komen.

Inmiddels ben ik een jaar verder en word ik in de paasnachtdienst (zaterdagavond voor eerste paasdag) gedoopt in de kapel van het Dominicanenklooster in Huissen. Wat is er veranderd? Waarom nu wel? Ik kan de vergelijking met mijn coming-out hierin doortrekken. Als homo kwam ik pas uit de kast, toen ik het homo-zijn aangenomen had als mijn eigen verhaal (“dit ben ik, dit gaat over mij”). Precies zo laat ik mij nu dopen omdat ik het mens-zijn zoals Jezus dat voorleefde, aangenomen heb als mijn eigen verhaal. Een belangrijk moment in deze groei naar de doop toe, was mijn deelname aan de vieringen tijdens de Goede Week in Huissen in 2013. Op 29 maart 2013 schreef ik hierover: “Ik word iedere keer geraakt door de boodschap die in deze dagen telkens terugkomt, dat ieder mens van waarde is en dat Jezus naast de misdeelden en verdrukten stond. Dat Hij heeft laten zien in woord en daad waartoe wij mensen geschapen zijn, namelijk om elkaar nabij te zijn, te steunen en te helpen, niemand uitgezonderd.” Dit is een manier van leven die ik graag wil voorleven (waarbij ik nog wel wat egocentrisme los moet laten) en mijn doop laat dit zien.

Er zijn ook belangrijke denkers geweest, die mij hebben geholpen om allerlei twijfels en aarzelingen over deze stap los te laten. In het gastenverblijf in Huissen ligt een boekje met voor iedere dag een citaat uit het werk van Dietrich Bonhoeffer, een vooraanstaande Duitse kerkleider, theoloog en verzetsstrijder tegen het nazisme, die in 1945 na een tocht langs concentratiekampen terechtgesteld is wegens hoogverraad. Op de dag dat ik de prior van de Dominicanen in Huissen, Henk Jongerius, vroeg of hij mij wil dopen, luidde het citaat van Bonhoeffer: “Christen zijn betekent niet op een bepaalde manier religieus zijn, op grond van een of andere methodiek iets van zichzelf maken (een zondaar, een boetvaardige of een heilige), het betekent mens zijn. Christus schept in ons de mens, niet een bepaald type mens.” Dit relativeerde voor mij allerlei gedachtespinsels over wat een christen is. Het pad dat ik bewandel is een pad naar menswording.

De belangrijkste denker voor mij is echter de katholieke theoloog James Alison. Op zijn site vind je mijn vertaling van een lezing die hij heeft gehouden over het begin van Paulus’ brief aan de Romeinen. Ik heb persoonlijk echter geen enkele moeite met wat Paulus al of niet van homo’s vond; voor mij is Alison voor iets heel anders wezenlijks erg belangrijk. Hij laat in zijn werk zien en onderbouwt dat theologisch briljant, dat de nadruk van de kerk op zonde en boete het wezen van de Blijde Boodschap (hij heet niet voor niets zo!) volstrekt mist. De kern is dat God juist wil dat wij net als Jezus mensen worden die naast andere mensen staan en niet mensen die anderen verketteren of dreigen met hel en verdoemenis. Waarachtig mens zijn (dus christen zijn, zie Bonhoeffer) vraagt nu juist om ons denken in wij en zij en dus in goed (=wij) en fout (=zij) te overstijgen. In een volgende blog kom ik hier misschien nog eens op terug, maar ik ervaar Alisons inzichten als een bevrijding van de drukkende negatieve nadruk op zonde. En daarmee heeft hij voor mij het grootste struikelblok weggenomen om van harte een christelijke weg te bewandelen. Dus, James: dank daarvoor.

Op 9 september 2013 heb ik de stap gezet om te vragen om doop en opname in de katholieke kerk en gaf Henk Jongerius aan graag aan mijn verzoek te voldoen. Maar ondanks deze denkers en mijn ervaringen met Pasen, had ik er toch nog niet helemaal vrede mee. Ik had nog een laatste zetje nodig om zonder aarzelingen (maar wel met plankenkoorts…) naar dit moment toe te leven. Dat zetje heb ik in december gekregen, toen ik te gast was bij de trappisten van de Abdij Koningshoeven. In een vorige blog heb ik geschreven over de zogeheten conferenties van broeder Korneel Vermeiren over de godsontmoeting. Maar het allergrootste cadeau van deze retraite was het moment op donderdagmiddag dat ik vanbinnen echt volledig stil viel en alle gedachten kon laten gaan. Ik heb in een spontane ingeving het zogeheten latifa-gebed beoefend, die ik bij Pulsar (deVoorde) heb geleerd. In die oefening zet je innerlijk zeven stappen langs een aantal kwaliteiten. Een van die stappen gaat van vertrouwen (=geloof) naar overgave (=loslaten). En bij het moment van overgave heb ik alle muizenissen die ik nog had over dopen, alle argumenten voor en tegen, helemaal kunnen loslaten. Mijn besluit om mij te laten dopen is helemaal ingedaald in mijn wezen, om het zo maar uit te drukken.

Sinds dat moment spelen mijn hersenspinsels mij geen parten meer. Ik heb alle vertrouwen in het pad dat ik bewandel. De doop maakt hier deel van uit, omdat mijn pad nu eenmaal het christelijke, katholieke pad is. Mijn doop is een uiterlijke, zichtbare markering van die weg. Hij maakt mij lid van een gemeenschap van mensen die in vieringen, rituelen en zorg voor anderen in een lange en rijke traditie staan. Mensen die net als ikzelf stuntelaars van goede wil zijn, die met vallen en opstaan bezig zijn om Mens te worden. Deze gemeenschap van mensen vormt samen een kerk, waarin af en toe iets van het mysterie van Gods liefde zichtbaar en voelbaar wordt. Het is deze kerk van medemensen waar ik door mijn doop deel van uit ga maken, niet de kerk van de regels die met hameren op zonde en boete mensen onderdrukt.