roomse heisa

Struinend in mijn boekenkast op zoek naar geschikte lectuur voor mijn middagje sauna stuitte ik op een klein boekje van 52 pagina’s onder de titel Roomse Heisa. Het boekje is een bundeling van artikelen (het woord columns bestond toen nog niet, volgens mij) van de hand van Gerard Reve, die in NRC Handelsblad verschenen zijn in de periode van 5 april tot 15 mei 1985. De titel trok mij aan na alle commotie over het interview met Vaticaan-theoloog Wojciech. Reve blijkt zijn artikelen geschreven te hebben op verzoek van de krant met als aanleiding het omstreden bezoek van de toenmalige paus Johannes Paulus II aan Nederland.

Ik moet zeggen dat ik niet teleurgesteld ben in mijn keuze voor dit boekje als saunalectuur. Door de omvang past het precies in de zak van mijn badjas, wat natuurlijk erg praktisch is. Het bevat pareltjes van Reviaans taalgebruik en humor, waardoor ik regelmatig met een glimlach aan mijn maaltijd zat. Zo moppert de schrijver naar aanleiding van de openluchtmis op vliegveld Beek bij het vertrek van de paus: “En dan dat geëmmer over de liefde, al maar door, maar heeft die liefde iets met tederheid of deernis te maken? Wat hebben u of ik te maken met de ‘mysterieuze, oneindige liefde tussen de Drie Goddelijke Personen’? Niemand beweert toch dat die drie bonje met elkaar hebben?” Een betere observator en verslaggever van de Roomse heisa dan de homoseksuele en erg katholieke Gerard Reve kon ik mij na al dat zware gedoe over de katholieke moraal niet wensen.

Een van de artikelen draagt de titel (let op de hoofdletters!): De Ontoepasbaarheid Van De Katholieke Moraal. In het licht van Wojciech een interessante titel. De aanleiding van dit artikel was de toespraak van Hedwig Wasser, lid van de Nederlandse Missieraad, voor de paus in de Jaarbeurs in Utrecht. In een persoonlijke toevoeging aan de goedgekeurde toespraak hekelde zij de uitsluiting in de kerk van ongehuwd samenwonenden, gescheidenen, gehuwde priesters, homoseksuelen én vrouwen. Reve vindt na lang nadenken dat zij terecht haar eigen mening uitsprak. Dit is aanleiding voor een beschouwing met als kern: “Het wezenlijke van een volwassen, volgroeide religie is dat zij iets zegt, maar iets anders bedoelt. Dat geldt zowel voor de verwoording van het geloof als voor de verwoording van de moraal die ze haar aanhangers voorhoudt.” Hij illustreert dat aan de hand van een paar geloofswaarheden en concludeert: “Dit betekent volgens mij, dat de verwoording van het verkondigde niet is wat met gelooft. Men gelooft iets anders dat men niet wil of niet kan uitspreken.” Vervolgens betrekt hij die redenering op de katholieke moraal.

“Zo gelieve men ook de door de RK kerk officieel gedecreteerde seksuele moraal te beschouwen. Deze is zo absurd en zo totaal ontoepasbaar dat iemand die het bij een oppervlakkige beschouwing laat gemakkelijk tot de conclusie kan komen ‘dat ze in Rome gek geworden zijn’. De ontoepasbaarheid van die moraal zoude ons echter ook tot het vermoeden kunnen leiden dat niet van ons verondersteld wordt dat wij die moraal naar haar woordelijke inhoud ooit zouden kunnen naleven. Vandaar dat ik, net als bij mijn beschouwing van het geloof, denk dat, mutatis mutandis, er iets anders dan het letterlijk medegedeelde bedoeld wordt.” Het is een mooie redenering, maar ook een naïeve gedachte volgens mij. Ik vrees dat Rome in de persoon van Wojtiech echt vindt dat de uitsluiting van de groepen die Hedwig Wasser noemde, geheel terecht is. Maar ik schaar mij volgaarne achter Reves overtuiging, dat ik verondersteld word om die moraal niet woordelijk na te leven, omdat zij zo absurd en ontoepasbaar is. Ik vind haar namelijk ook absurd, ontoepasbaar en niet van deze tijd. Ik vind mijn eigen seksuele moraal goed en wel van deze tijd. Of getuigt dit nu van de zonde van de hoogmoed?