verlegenheid

Mijn weg van “heiden” naar katholiek gaat gepaard met de nodige verlegenheid. Thomas Merton beschrijft dit gevoel in zijn autobiografie Louteringsberg op een manier die voor mij heel herkenbaar is. Na de beschrijving van zijn bijzondere ervaring knielend bij het altaar van de Santa Sabina, de kerk van de Dominicanen in Rome, merkt hij het volgende op. “Iets anders wat katholieken ook niet van bekeerlingen kunnen begrijpen, is de ontzettende, kwellende verlegenheid, en de zelfcontrole, waaraan dezen onderhevig zijn als zij in het openbaar in de katholieke kerk bidden. Het kost een ontzettende inspanning, die zonderlinge angst te overwinnen en het gevoel dat iedereen naar je kijkt, en dat ze allemaal denken dat je gek bent of je belachelijk vinden. En die dag in de Santa Sabina liep ik, ofschoon de kerk nagenoeg leeg was, over de plavuizen, doodsbang dat een arm oud vrouwtje dat daar zat, mij met achterdochtige blikken zou nakijken. Toen ik neerknielde om te bidden, vroeg ik mij af of zij niet onmiddellijk naar de paters zou lopen om mij met hartgrondige afschuw ervan te beschuldigen dat ik in hun kerk kwam bidden – alsof de katholieken het wél best vonden dat er hele troepen ketterse toeristen zonder enige eerbied en met volkomen onverschilligheid in de kerken rondliepen, maar kwaad zouden worden als één van die bezoekers in zoverre Gods Tegenwoordigheid in die kerk erkende, dat hij enkele ogenblikken neerknielde voor gebed!”

De katholieke eredienst heeft de nodige elementen in zich die ervoor zorgen dat iemand die daar niet vertrouwd mee is, zich bij tijd en wijle behoorlijk verlegen kan voelen. Wanneer moet je nu gaan staan? Wanneer blijf je zitten? En dan dat knielen: dat doe je toch niet? Aan de andere kant val je natuurlijk juist op wanneer je niet knielt, terwijl anderen om je heen dat wel doen. In alle vieringen die ik de laatste jaren heb bijgewoond, heb ik een maal spontaan geknield tijdens een eucharistieviering. Ik had om een gegeven moment het gevoel dat ik op de knieën moest. Terwijl ik mij afvroeg of dat niet raar was (de blik van het oude vrouwtje van Merton) heb ik het toch gedaan. Ik was op dat moment niet de enige. En later hoorde ik van een van mijn reisgenoten van die wandelvakantie, een diepgelovige katholiek, dat hij mij oprecht devoot vond!

Deze verlegenheid, de verwachting dat iedereen naar mij zal kijken en een afkeurende mening of op zijn minst een oordeel heeft over mij, heeft me ook parten gespeeld bij mijn aarzelingen om mij te laten dopen. Aanvankelijk vergeleek ik dopen met uit-de-kast-komen: het proces dat iedere homo en lesbienne doormaakt die op een gegeven moment het besluit neemt, dat het tijd wordt om de buitenwereld van de “afwijkende” geaardheid op de hoogte te stellen. Ik vond uit-de-kast-komen geen makkelijke opgave, omdat ik net als de meeste mensen liever niet anders ben dan anderen. En zo keek ik dus aanvankelijk ook tegen dopen aan. Merton zegt, dat het een “ontzettende inspanning (kost), die zonderlinge angst te overwinnen en het gevoel dat iedereen naar je kijkt”. Mij helpt het om ‘onder’ die angst te kijken en het verlangen te voelen om verbonden te zijn met Hem en daar niet geheimzinnig of moeilijk over doen. Mij helpt het ook om gewoon maar te doen: om die stap te zetten. Beginnen aan een menselijke relatie is ook altijd spannend en dan zet je op een gegeven moment ook die stap gewoon, gedreven door het verlangen naar verbondenheid met die ander. Het voelen van het verlangen of de drang is cruciaal, volgens mij. En dan zijn de eventuele blikken van het oude vrouwtje van Merton helemaal niet belangrijk meer.