god zoeken – 1

In feite kunnen we alleen maar iets zoeken wat we al kennen. Wanneer ik niet weet wat ik eigenlijk zoek, ben ik niet echt op zoek. Wij moeten dus al weten welke God wij zoeken, eer we hem werkelijk zoeken.

Nu weet ik van de God die ik zoek óf iets uit mijzelf, uit mijn ervaringen en inzichten, uit de door mij zus of zo geïnterpreteerde geschiedenis of natuur, dat wil zeggen gewoon uit mijzelf, óf ik weet iets van hem op grond van zijn openbaring, zijn eigen Woord. Ík bepaal de plaats waar ik God vinden wil, of ik laat Gód de plaats bestemmen waar hij gevonden wil zijn.

Als ik degene ben die zegt waar God zijn zal, dan zal ik daar altijd een God vinden die op een of andere manier bij mij past, mij bevalt, die met mijn wezen verbonden is. Is het echter God die zegt waar hij zijn wil, dan zal dat een plaats zijn, die vooralsnog helemaal niet bij mijn wezen past, die mij ook in het geheel niet bevalt. Deze plaats is het kruis van Jezus. En wie hem daar vinden wil, die moet ook zelf onder dit kruis, zoals de Bergrede dat verlangt.

In wat we kennen moeten we God vinden, niet in wat we níét kennen. God wil door ons gekend worden in de opgeloste, niet in de onopgeloste vragen. We hebben op het ogenblik menselijke antwoorden op deze vragen, we hoeven daarvoor niet terug te vallen op God. Ook zonder God komen de mensen klaar met deze vragen en dat is altijd zo geweest. Ook hier is God geen stoplap. Hij moet erkend worden midden in het leven en niet pas aan de grenzen van onze mogelijkheden, in leven en niet pas in sterven, als we sterk en gezond zijn en niet pas als we lijden, als we handelen en niet pas als we zondigen.

Uit: Dietrich Bonhoeffer, Een thematisch dagboek. Uitgeverij Meinema, Zoetermeer 2011.