kom tot leven

Oktober 2019. Ik zit in de kleine zijkapel van het Heilig Hartklooster van de Missiezusters Dienaressen van de Heilige Geest in Steyl, Limburg. Mijn bijbel ligt opgeslagen bij Genesis 32: 25-33. Het is het bekende verhaal van Jakob die worstelt met “een man” bij de Jabok. Deze tekst zal ik die dag met mij meedragen en “proeven” als focus bij een stille retraite gebaseerd op de Geestelijke Oefeningen van Ignatius. Broeder Johan gaf bij mijn begeleidingsgesprek aan, dat vechten soms ook een manier is om te laten zien dat je er bent, om gezien te worden. Mijn meditatie in de kapel leidt tot een voor mij verrassende interpretatie. Ik citeer uit de Naardense bijbelvertaling, die dicht bij de grondtekst staat.

licht je hiel

Jakob volgt Gods woord om terug te keren naar het land van zijn voorvaderen. Maar het gaat niet van harte en hij is bevreesd, want Esau wacht hem op, zijn broer die hij het eerstgeboorterecht afhandig heeft gemaakt. Jakob betekent: hij licht de hiel. Dat is altijd zijn strategie geweest: een ontsnappingsmogelijkheid inbouwen om zijn hielen te kunnen lichten. Daarom splitst hij zijn leger in tweeën, zodat er een vluchtmogelijkheid is. “Dan staat hij die nacht op, neemt mee zijn twee vrouwen en zijn twee slavinnen en zijn elf geborenen, en steekt de oversteek van de Jabok – worstelbeek – over. Hij neemt ze mee en laat ze de beek oversteken; wat hem toebehoort laat hij oversteken.” (32: 23-24) “Jakob blijft alléén achter.” (32: 25) Zo is hij nu vrij (en die aanvechting heeft hij ook) om opnieuw de hielen te lichten. Hij is vrij om niet te staan voor het pad dat hij bewandelt en dus te gáán, maar om toe te geven aan zijn angst en onzekerheid en te vluchten.

word wakker

“Dan worstelt een man met hem totdat het morgenrood opklimt.” (32: 25). Een tegenkracht (God?) gaat het gevecht aan met Jakob. Anders gezegd: de neiging om de hielen te lichten en te vluchten vecht met het verlangen van God, de Levende, die wil dat Jakob lééft. De strijd blijft onbeslist en God ziet, “dat hij geen overmacht over hem heeft.” (32: 26). Jakobs angst en onzekerheid zijn te groot, maar door te vechten toonde hij wel aan dat hij er stónd. Dan verwondt God Jakob in zijn heup: een blijvende herinnering aan de strijd tussen angst en leven. God zegt: “Laat me los, want het morgenrood is opgeklommen.” (32: 27). En dat is de zin waarmee Hij de mens Jakob tot leven wekt. Dan wordt de hele persoon wakker, dan wordt de mens wakker die vanuit zijn eigen wezen antwoordt op Gods verlangen. En Jakob reageert: “ik laat je niet los tenzij je me zegent” (32: 27). Zo toont hij zijn eigen vrije wil, die hem echt mens maakt in plaats van slaafse dienaar. Hij wil Gods zegen over wie hij is, inclusief zijn neiging tot vluchten. De zegen herinnert Jakob eraan dat hij geliefd is door God, zoals ook zijn verwonding een blijvende herinnering is.

menselijke waardigheid

God geeft Jakob eerst een nieuwe naam. “Hij licht de hiel” klopt niet meer nu de hele persoon, de mens in zijn eigen waardigheid, is wakker geroepen. Daarom krijgt hij de naam “Israël – vechter met God! – want gevochten héb je, met God en met mensen en je hebt overmacht.” (32:29). Pas daarna zegent Hij Jakob. En Jakob “roept als naam voor het oord uit ‘Peniël’ – aanschijn van God, ‘omdat ik God heb gezien van aanschijn tot aanschijn en mijn ziel is ontrukt!'” (32: 31). Jakobs ziel is ontrukt aan de banden van angst en negativiteit. Een volgzame man is omgevormd tot een waardig mens: Israël. En het vervolg? “Jakob heft zijn ogen op en ziet daar komt Esau, met bij zich vierhonderd man.” (33: 1). Jakob geeft zijn vrouwen, kinderen en slavinnen een veilige plek en “zelf is hij voor hun aanschijn uit overgestoken en heeft zich zeven malen ter aarde gebogen totdat hij genaderd was tot zijn broer.” (33: 3). Israël is een man die zich niet verstopt, maar voor iedereen uit alleen de verwachte boosheid van zijn broer tegemoet treedt. Die hem vervolgens om de hals valt en kust.

verantwoording nemen

De passage verwoordt voor mij de worsteling in ieder mens, in mij, tussen het kwade en het goede, de zonde en het leven. Het is een worsteling waarbij vooralsnog geen winnaar aan te wijzen is. Totdat God de ware mens tot leven wekt in de kernzin van deze passage, Gen 32: 27: “Hij zegt: laat me los want het morgenrood is opgeklommen.” God heeft Jakob verwond en trekt nu ogenschijnlijk zijn handen ervan af. Maar daarmee geeft Hij ook ruimte aan de mens om zèlf te kiezen. Jakob gríjpt die ruimte. Hij neemt verantwoording voor zijn eigen leven en hij zegt: “ik laat je niet los tenzij je me zegent.” Jakob – hij licht de hiel – wordt een nieuwe mens: Israël – vechter met God -. Zijn waardigheid komt aan het licht, die zijn kracht omvat (vechter) maar ook zijn wonden (hielenlichter). “Dan gaat de zon over hem stralen zodra hij de Penoeël is doorgestoken; maar hij loopt voortaan mank, om zijn heup.” (Gen. 32: 32).

Torc – zelfonderzoek