matigheid

In de middeleeuwen kreeg de christelijke deugdenleer zijn vastomlijnde vorm, waarvan wij in onze tijd nog vooral de leer van de zeven hoofdzonden kennen. Al zullen er anno 2013 niet zoveel mensen meer zijn die het hele rijtje kunnen opnoemen. “Zonde” is inmiddels een beladen woord geworden, of het heeft als bijvoeglijk naamwoord de betekenis van “spijtig” gekregen. Als je je als mens met een van de volgende zeven zonden inliet, dan diende je dat onverwijld te biechten en de opgelegde boete uit te voeren. Omdat ik het Latijn zo mooi vind, benoem ik de zeven hoofdzonden met hun officiële naam:

  • superbia – hoogmoed
  • avaritia – hebzucht
  • luxuria – wellust
  • invidia – jaloezie
  • gula – gulzigheid, onmatigheid
  • ira – woede
  • acedia – gemakzucht, luiheid

Wie heeft er niet af en toe last van een van deze hoofdzonden? Opvallend is natuurlijk, dat ook anno 2013 de meeste van deze zonden nog steeds als negatief worden beoordeeld. Veel minder bekend is dat de middeleeuwers tegenover deze zeven hoofdzonden ook zeven deugden hebben geformuleerd. De eerste vier stammen al uit de klassieke oudheid (de zogenaamde kardinale deugden), de andere drie zijn de bekende christelijke deugden:

  • prudentia – voorzichtigheid
  • iustitia – rechtvaardigheid
  • temperantia – matigheid
  • fortitudo – moed
  • fides – geloof (=vertrouwen)
  • spes – hoop
  • caritas – (naasten)liefde

Een van de monastieke waarden waar wij in onze maatschappij heel ver vanaf gedreven zijn, is de deugd van de matigheid of de temperantia. Benedictus beargumenteert in zijn Regel bijvoorbeeld dat twee warme gerechten per tafel voldoende is en ook vindt hij een pond brood per dag wel voldoende. Hij voegt er wel aan toe: “Als er extra zwaar werk is verricht, kan het dienstig zijn de porties te vergroten; het is geheel aan de abt om hierover te beslissen. Maar in elk geval voorkomt hij onmatigheid, zodat het nooit zover komt dat een monnik aan indigestie lijdt. Want niets is zo oneigenlijk voor élke christen als overmaat, zoals onze Heer zegt: ‘Zorg ervoor dat u niet versuft raakt door overmaat’ (Lc 21, 34).” Dit is maar een voorbeeld, maar de hele Regel (en het leven van monniken in 2013) ademt de geest van de temperantia.

Voordat we ons als moderne westerse mens hiervan afkeren onder het mom dat er sprake is van “overdreven zuinigheid”, is het goed om te beseffen dat het hier niet gaat om opgelegd zuinig moeten zijn. Het gaat hier om het vinden van de juiste maat: matigheid zoekt het juiste midden, het juiste evenwicht tussen bijvoorbeeld onze wensen en verlangens en onze fysieke constitutie. Of tussen de graaizucht van de mens en de spankracht van natuur en milieu. Of tussen de hoog opgeschroefde prestatie-eisen van je school of je werk en de noodzaak om te ontspannen en tot rust te komen. Deze voorbeelden zijn met talloze andere aan te vullen, die allemaal schrijnend duidelijk maken, hoe noodzakelijk het is om het juiste midden te vinden, dus hoe belangrijk de deugd van temperantia is die de monniken ons voorleven. De foto bovenaan geeft een mooi voorbeeld van de tegenhanger van matigheid, de hoofdzonde gula.