zondagochtendgebed

 “Het zijn bange tijden, mijn God. Vannacht was het voor het eerst, dat ik met brandende ogen slapeloos in het donker lag en er vele beelden van menselijk lijden langs me trokken. Ik zal je een ding beloven, God, een kleinigheidje maar: ik zal mijn zorgen om de toekomst niet als evenzovele zware gewichten aan de dag van heden hangen, maar dat kost een zekere oefening. Iedere dag heeft nu aan zichzelf genoeg. Ik zal je helpen God, dat je het niet in mij begeeft, maar ik kan van tevoren nergens voor instaan. Maar dit éne wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen wij onszelf. En dit is het enige, wat we in deze tijd kunnen redden en ook het enige, waar het op aankomt: een stukje van jou in onszelf, God. En misschien kunnen we er ook aan meewerken jou op te graven in de geteisterde harten van anderen. Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen, ze horen nu eenmaal ook bij dit leven. Ik roep je er ook niet voor ter verantwoording, jij mag daar later ons voor ter verantwoording roepen. En haast met iedere hartslag wordt het me duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en dat we de woning in ons, waar jij huist, tot het laatste toe moeten verdedigen.”

Dit gebed is van Etty Hillesum: ze heeft het op 12 juli 1942 opgetekend in haar dagboek, dat onder de titel Het verstoorde leven is gepubliceerd. Geboren in 1914 in Middelburg, studeerde zij na haar schooltijd in Deventer rechten en Slavische Talen in Amsterdam. Zij werd geïnterneerd in het doorgangskamp Westerbork, waar ze in dienst van de Joodsche Raad geprobeerd heeft mensen bij te staan. In september 1943 ging zij zelf op transport naar Auschwitz, waar zij waarschijnlijk op 30 november 1943 overleed. Een bijzondere joodse vrouw die temidden van alle leed een sterke geestelijke ontwikkeling doormaakte, waardoor zij “een stukje van jou in onszelf, God” wist te bewaren. Haar “bange tijden” zijn de steeds sterkere beperkingen waaraan joden onderworpen werden en de verhalen over werkkampen en vernietiging. Zij wist wat het joodse volk te wachten stond. En toch was er in haar een sterk besef dat het wezenlijk is om niet te vervallen in haat van anderen of boosheid op God. Het is noodzakelijk om de woning in ons waar God huist, onze menselijkheid en liefde, tot het laatste toe te verdedigen. God kan ons niet helpen, Hij is ook niet verantwoordelijk voor het geweld en de haat die wij elkaar aandoen: wij zullen het zelf moeten oplossen, te beginnen door “een stukje van jou in onszelf, God” te bewaren.

Onze eigen “bange tijden” zijn oplopende internationale spanningen en haantjesgedrag, moord en doodslag in het Midden-Oosten, Afrika en andere delen van de wereld, waarbij in naam van God de meest afgrijselijke misdaden worden gepleegd. En dan lees ik zo’n prachtig zondagochtendgebed van een jonge joodse vrouw uit het Amsterdam van 1942, dat bezet was door een volk waarvan de leiders uit waren op de vernietiging van haar eigen mensen. Het gebed raakt me in zijn liefde voor mensen die eruit spreekt. Als zij zo met haar situatie om weet te gaan, dan moet ik in mijn veilige Nederland anno 2015 toch in staat zijn om moslims als medemensen te zien en haat en verkettering geen kans te geven? En jij toch ook? En misschien “kunnen we er ook aan meewerken (God) op te graven in de geteisterde harten van anderen”. Ja toch, Geert Wilders?